Beleefdheid

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.10.38

In de NRC van 2-3 maart 2019 stond een artikel van Alma Mathijssen met als titel: ‘Ik kan zélf mijn jas wel aantrekken’. In de ballon boven het artikel staat: ‘OPINIE. Seksisme’.

Alma omschrijft in dit artikel hoe een man haar, ongevraagd, behulpzaam was met het aantrekken van haar jas. Haar eerste impulsieve gedachte was ‘dat kan ik als volwassen vrouw wel zelf’ maar dan ‘is het al te laat’. De behulpzame man wipt ook haar staart nog uit haar kraag. Zij vraagt zich af of de bedoelingen van behulpzame mannen wel zo oprecht en zuiver zijn als algemeen wordt aangenomen. Alma stelt dat als mannen alleen maar vrouwen (en dus geen mannen) helpen met het aantrekken van hun jas dat dit ‘een vorm van seksisme’ is. ‘Seksisme’ geeft bij mij een nare smaak van discriminatie en onderdrukking op basis van geslacht. Alma wil er niet ‘dagelijks aan herinnerd worden dat zij vrouw is’. ‘Ik hoef er niet continue herinnerd te worden aan het feit dat ik een vagina heb,’ zo stelt zij. Om haar ongenoegen en walging over de oprechte galante daad van de man te uiten trekt zij gore bekken naar anderen zonder dat de behulpzame man het ziet.

Alma pakte het boekje ‘Hoe hoort het eigenlijk’ van Amy Groskamp-ten Have uit 1939 erbij waarin omschreven staat hoe mannen zich ten opzichte van vrouwen moeten gedragen. Etiquette heet dat in het algemeen. Gedragsregels voor in het openbaar verkeer. Deuren ophouden voor een vrouw, haar zware tassen dragen, rechts van haar gaan lopen, voor haar de trap oplopen (als zij rok of jurk aan heeft), een paraplu boven haar houden als het regent, de deur van een auto voor haar openen bij in- of uitstappen, een stoel aanschuiven, enzovoort enzoverder. Volgens Alma allemaal ‘voorschriften die uitgaan van een zwak onnozel impotent vrouwtje’. Alma wil vriendelijkheid niet de wereld uit hebben, maar er moet in de uitingen van vriendelijkheid geen onderscheid in geslacht zijn. Sommige van de voorschriften van Amy Groskamp-ten Have worden dan wel wat wonderlijk (waarom zou ik de tassen van een jonge, veel krachtiger man gaan dragen en waarom moet ik voor hem op de trap lopen (tenzij hij een kilt draagt)).

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.11.38

Het helpen aantrekken van een jas maakt Alma vervolgens aanvaardbaar (als mannen maar zowel mannen als vrouwen en vrouwen zowel mannen als vrouwen in de jas helpen) maar is, volgens haar, ook een verdachte en verwerpelijke handeling (‘Wilt u de persoon in kwestie in de jas helpen zodat u even aan die mens kan ruiken of kunt aanraken? Dan mag u helaas niet helpen, tenzij het overduidelijk is dat de persoon hierop zit te wachten’).

Haar insteek (mannen en vrouwen gelijk behandelen) is wellicht nog aanvaardbaar, maar de onaangename ondertoon (het is seksisme en perverselingen willen aan jassen en vrouwen ruiken en nekken aanraken) is ridicuul en gaat voorbij aan het fatsoen en beschaafdheid van vele mannen. En gaat voorbij aan evolutionair bepaalde interesse van mannen in vrouwen (biologisch bezien erg handig).

Mijn hele volwassen leven, nu zo’n veertig jaar, heb ik vele honderden vrouwen in hun jas geholpen, ik heb voor vele duizenden vrouwen een (auto)deur opengehouden, ik ben (indien zij een rok of jurk droegen) honderden van hen voorgegaan op de trap. Als mijn echtgenote op zaterdagochtend terugkomt van boodschappen doen en ik hoor haar auto aankomen, dan ga ik, al jaren en elke week weer, naar buiten om de volle boodschappentassen naar binnen te dragen. Ik heb diverse keren voor een vrouw een lekke band verwisseld.  En zo heb ik vele, vele andere beleefdheid getoond naar vrouwen. En nog nooit, werkelijk nog nooit, heeft een vrouw daar afwerend of achterdochtig op gereageerd. Sterker nog, zonder uitzondering bedanken zij mij hiervoor en reageren (verrast) aangenaam getroffen. Ik help soms, maar zeer zelden, een man in zijn jas. Ik houd voor zowel mannen als vrouwen een deur open. Ik draag nooit tassen van mannen. Lekke banden verwisselen, dat doen die mannen zelf maar. Ben ik nu een ranzige seksist?

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.05.11

Haar mening, zoals verwoord in de NRC, is, durf ik te stellen, echt wel afwijkend en gezocht. Waarom is zij zo achterdochtig naar de goedbedoelde handelingen van fatsoen? Ik ga daar hier niet over speculeren.

Mijn vader heeft mij, lang geleden, geleerd dat galant zijn naar vrouwen een teken van beschaving, respect en fatsoen was. Zo heb ik mij dat ingeprent en zo handelde ik mijn gehele leven en zo zal ik blijven handelen tot mijn dood toe. En het heeft mij altijd veel gelukkige momenten opgeleverd. In een tijd waarin iedereen alleen maar wezenloos op mobiele telefoons zit te loeren op zoek naar iets, waarin hufterigheid, respectloosheid en achterdocht steeds algemener worden is het fijn om aardig en galant te zijn naar anderen en daarvoor dan oprechte waardering te ontvangen. Niets zal mij er dan vanaf houden om mij galant en voorkomend naar (met name) vrouwen te gedragen. Mannen verwachten dit galante gedrag niet van andere mannen en het is daarom ook niet nodig. Maar hufterig gedrag is onnodig en verwerpelijk. Vele malen heb ik meegemaakt dat jonge, hoogopgeleide, mannen en vrouwen niet achterom kijken en de deur pal voor je neus laten dichtvallen. En in het verkeer, ach, dat zien we allemaal elke dag: wat een hufters. Wat een nare wereld. Ik zal dat nooit doen.

 

IMG_9484

In een prachtig geschreven en lezenswaardige boek ‘The gentlemen’s book of etiquette and manual of politeness’ van Cecil B. Hartley uit 1869 wordt een onderscheid gemaakt tussen etiquette en beleefdheid (‘politeness’): ‘There is a difference between politeness and etiquette. Real politeness is in-born, and may exist in the savage, while etiquette is the outward expression of politeness reduced to the rules current in good society. Aman may be polite, really si in heart, yet show in every movement an ignorance of the rules of etiquette, and offend against the laws of society. You may find him with his elbows upon the table, or tilting his chair in a parlor. You may see him commit every hour gross breaches of etiquette, yet you never hear him intentionally utter one word to wound another, you will see that he habitually endeavors to make others comfortable, choosing for them the easiest seats, or the daintiest dishes, and putting self entirely aside to contribute to the pleasure of all around him. Such a man will learn, by contact with refined society, that his ignorance of the rules which govern it, make him, at times, disagreeable, and from the same unselfish motive which prompts him to make a sacrifice of comfort for the sake of others, he will watch and learn quickly, almost by instinct, where he offends against good breeding, drop one by one his errors in etiquette, and become truly a gentleman’.

Er is dus, volgens Cecil Hartley, een verschil tussen aangeleerde etiquette en karakter. Maar een goed karakter geeft aanleiding tot beleefd en galant gedrag. En mannen doen dat graag naar vrouwen en vrouwen vinden het fijn om zo benaderd te worden. Dat gaat al eeuwen zo. Het is altijd vanuit karakter dat mannen attent, fatsoenlijk, respectvol en beleefd zijn naar vrouwen. Ik kan werkelijk niet inzien waarom een beleefd karakter te verwarren is met seksisme en de ranzige gedachten die Alma Mathijssen denk te zien in dit handelen.

En laten we eerlijk zijn, er zullen maar weinigen, mannen en vrouwen, vinden dat onderstaande foto net zo normaal is als een foto waarbij de man de takkenbos draagt en de vrouw erbij loopt. Ik krijg nare gevoelens naar de man op de foto.

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.07.34

Beleefde mannen van goed karakter van Nederland: ga alsjeblieft onvermoeid door met je oprechte respect tonen naar vrouwen. Hou de deur voor hen open, help hun met hun jas aantrekken, ga hen voor op trappen, hou een paraplu boven hun hoofd als het regent, draag hun tassen. Zij kunnen het vrijwel zonder uitzondering zeer waarderen en het maakt jou tot een goed mens. En vrouwen: jullie zijn echt geen ‘zwakke onnozele impotente vrouwtjes als jullie mannen toestaan om te helpen met je jas aantrekken of als zij je zware tas dragen of de deur voor je open houden. De mannen respecteren jullie juist! Laat je dus niet beinvloeden door ridicule artikelen zoals dat van Alma Mathijsen. Zeker in een tijd waarin individualisme, ongeïnteresseerdheid, hufterigheid en disrespect zo wijdverbreid zijn is beleefdheid zeer te verwelkomen en niet te bestrijden of ridiculiseren!

Het medicaliseren van het gewone

schermafbeelding 2019-01-22 om 15.56.00

Emoties horen bij normaal functioneren. Blijdschap, woede, walging, genieten, angstig zijn, adoreren, bewonderen, tevredenheid, verveling, esthetisch waarderen, afschuw, horror ervaren, jaloezie, rouwen, opgewonden zijn, vermaken enzovoort. Emoties zijn vaak piekervaringen in dagelijkse routine. Zowel positief als negatief. Beiden horen bij het normale, maar we proberen negatieve piekervaringen zoveel mogelijk te vermijden. Het is immers niet fijn om boos of angstig te zijn, te walgen, te rouwen of om te verliezen. Emoties kunnen lang na de gebeurtenis herinnerd worden. Over de positieve herinneringen doen we niet moeilijk, maar als een negatieve lang blijft hangen en de persoon daar minder goed door gaan functioneren, dan wordt al snel gesproken over een afwijkende situatie. Iemand ergens bang voor is heeft een fobie die behandeld moet worden. En rouwenden moeten naar een rouwtherapeut. Zo blijven veel goedbedoelenden aan het werk.

Sommige negatieve ervaringen zijn van klein belang maar anderen hebben een grote impact. Het verlies van je baan, een echtscheiding, ernstige ziekte bij jezelf of bij een dierbare en de dood van een dierbare. De eerste drie zal niet iedereen meemaken, maar de laatste twee zijn zo algemeen dat niemand daaraan ontkomt. Zij horen, om een cliché te gebruiken, bij het leven. De mate waarin de ervaring impact zal hebben verschilt enorm van persoon tot persoon. Het ervaren van dreigend verlies of (over)lijden van een dierbare behoren tot de heftigste ervaringen. Niemand ontkomt eraan. De ervaringen zijn dus normaal. Omdat mensen verschillen in persoonlijkheid, ervaringen en opvoeding verschillen ook de reacties op dreigend verlies en (over)lijden. Ook de relatie tot de ander maakt uit. De dood van een kind, een partner of hechte vriend(in) heeft de grootste impact. Het (over)lijden van een ouder, broer/zus of nog verder familielid heeft dat doorgaans veel minder.

Op een IC wordt geleden en gestorven. Dat weet iedereen die daar werkt. Zij zien dagelijks heftige emoties. Negatieve emoties. Maar dat is niet uniek voor de IC. Omdat lijden en sterven voor iedereen onvermijdelijk is wordt ook dit juist het meeste buiten de IC beleefd. Dagelijks door honderdduizenden mensen. Ik verbaas mij over het medicaliseren van gewone emoties. Patiënten en diens naasten kunnen, volgens sommigen, gaan lijden aan een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS), een post-intensive-care-syndroom of gecompliceerde rouw. Verpleegkundigen en artsen die dit (over)lijden meemaken kunnen op hun beurt aan PTSS gaan lijden, verlies aan weerbaarheid en burn-out ervaren. Dat dit gebaseerd is op normale emoties, onvermijdelijk voor iedereen, maakt het bijzonder. Er wordt van gecompliceerde rouw gesproken als een persoon na een bepaalde tijd nog steeds van slag is. Maar misschien hield de persoon die na twee maanden rouw weer onder controle is wel minder van de gestorvene dan iemand die na een jaar nog van slag is en vinden we juist het abnormale wel normaal. Onlangs verscheen het boek ‘Alledaagse waanzin’van Lisa Appignanesi. Het gaat over rouw na de dood van haar lief. Een jaar na de dood schrijft zij: ‘De rouw blijft. Soms voelt het best goed, soms niet. Ieder heeft het op zijn eigen manier, en iedere nieuwe dode zorgt ervoor dat vorige verliezen ook weer actueel zijn. Het leven is gevuld met dood, en dus kunnen we daar maar beter mee gaan leven’. Had zij gecompliceerde rouw? Volgens de definitie wel. Het normale willen labelen als niet-normaal is medicaliseren. Door het als abnormaal te labelen maken we het een ziekte, een afwijking waar wat aan gedaan moet worden. Juist daardoor kunnen rouwenden zich schuldig gaan voelen, geforceerd gaan handelen en daardoor in de problemen komen. Geef ruimte aan het normale, iedereen beleefd het op zijn/haar eigen manier, maar blijf ver weg met stigmatiseren en labelen als abnormaal van het normale in een enorm heterogene populatie.

Het meisje dat ‘stemmen hoorde’

 

Schermafbeelding 2018-08-08 om 23.38.22

Ik keek onlangs naar de sfeervolle film ‘Joan of Arc’ (1999), over het leven van deze heiligverklaarde Franse volksheldin uit de vijftiende eeuw. De basis van het verhaal was dat Jeanne d’Arc[1]stemmen hoorde die haar opdrachten gaven om Frankrijk te redden van de Engelse overheersing. En deze stemmen kwamen van god en heiligen.

Tijdens het kijken naar de film dacht ik, als kritisch denker, na over wat de basis van het ‘stemmen-horen’ bij haar zou kunnen zijn geweest. Was zij schizofreen en had zij hierom hallucinaties en wanen? Had zij een borderline persoonlijkheidstoornis? Leed zij een een vorm van epilepsie van de temporaalkwab? Had zij een hersentumor? Ik besloot het allemaal eens uit te pluizen.

Op de leeftijd van dertien jaar hoorde Jeanne voor het eerst god tegen haar spreken die haar vroomheid opdroeg en haar de opdracht gaf om het beleg van Orléans te breken. Later verklaarde Jeanne dat ook de heilige Catharina en de heilige Margaretha tot haar hadden gesproken. Om het allemaal nog grotesker te maken vertelde de boerendochter dat óók de aartsengel Michaël tot haar sprak.

Schermafbeelding 2018-08-08 om 23.50.33

Schermafbeelding 2018-08-08 om 23.55.28

De hele geschiedenis over haar invloed bij de benoeming van Charles VI tot koning van Frankrijk en haar rol bij het opheffen van het beleg van Orléans (overigens razend interessant) laat ik hier even voor wat het is en richt mij op de oorzaak van het stemmen-horen.

De leiders van de katholieke kerk vonden de claim dat Jeanne uit de naam van god sprak niet acceptabel (hoe verbazend overigens ook) en zorgden ervoor dat zij gevangen werd genomen om te worden berecht. Bij haar arrestatie hadden zij wel zeventig aanklachten tegen haar verzonnen. Het proces vond plaats tussen februari en mei 1431.

In het sterk politiek getinte proces werd Jeanne schuldig bevonden aan ketterij, weglopen van huis, het dragen van mannenkleren en het negeren van de kerkelijke autoriteit. Omdat haar komst niet was aangekondigd in de bijbel en zij geen mirakels had verricht werd het aanspreken van haar door god en heiligen gezien als bedrog. Maar met name omdat zij mannenkleding had gedragen werd het negentien-jarige meisje veroordeeld om levend verbrand te worden op een brandstapel. Dit vond plaats op 30 mei 1431 op de Place du Vieux Marché in Rouen.

Schermafbeelding 2018-08-08 om 23.49.49

Om te voorkomen dat botten door haar volgelingen als reliek zouden worden bewaard werden de niet verbrande beenderen, maar met name het niet verbrande hart en niet verbrande andere ingewanden, door de beul Geoffrey Thérage vanaf de Pont Mathilde in de Seine gegooid.

Omdat duidelijk was dat het een schijnproces was geweest en dat Jeanne op niet sterke argumenten veroordeeld en ter dood was gebracht werd het onderzoek naar de veronderstelde wandaden opnieuw geopend. Op 7 juli 1456 werd Jeanne d’Arc, na meerdere wijdlopige onderzoeken, in ere hersteld en het oorspronkelijk oordeel verworpen. In april 1909 werd Jeanne d’Arc door paus Pius X zaligverklaard en op 16 mei 1920 werd zij door paus Benedictus XV bovendien heiligverklaard. Het kan verkeren.

Dat god en de drie heiligen tot haar gesproken hebben is natuurlijk onzin, want god en de drie heiligen bestaan niet. God en de genoemde heiligen zijn religieuze verzinsels. Er moet dus een andere rationele verklaring zijn voor haar hallucinaties. Als rationeel kritisch denker was ik daar in geïnteresseerd. Er is vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw door medische wetenschappers naar niet-religieuze verklaringen voor het stemmen-horen van Jeanne d’Arc gezocht. Stemmen-horen is een symptoom van diverse neuro-psychiatrische aandoeningen. Veronderstelde medische verklaringen zijn onder andere temporaalkwabepilepsie, cerebrale rundertuberculose en een psychiatrische ziekte (schizofrenie of borderline).

Schermafbeelding 2018-08-08 om 23.38.49

Ik startte een zoektocht in de medische literatuur.

Een enkeling noemt schizofrenie als verklaring, zoals C. Allen in zijn artikel ‘The schizophrenia of Joan of Arc’ in Medical History (1975; 6: 4-9). Schizofrenie is niet een aannemelijke diagnose aangezien schizofrenen de stemmen meestal in hun hoofd horen en niet daarbuiten. Jeanne d’Arc hoorde de stemmen buiten haar hoofd. Er is geen enkel bewijs dat zij stemmen ‘in’ haar hoofd hoorde. Fred O. Henker haalt de halve DSM III erbij om Jeanne ‘dArc van een psychiatrische diagnose te kunnen voorzien. Hij beschrijft het in zijn artikel ‘Jean of Arc and DSM III in het Southern Medical Journal (1984; 77: 1488-1490). Hij komt er niet uit. Alexandre Baratta en collegae publiceerden in Information Psychiatrique(2009; 85: 66)  hun artikel ‘Jeanne d’Arc et ses voix: pathologie psychiatrique ou phénomène contextuel’ en komen tot de conclusie dat geen van de voorgaande geopperde diagnoses deugden en denken zelf dat Jeanne of een bi-polaire stoornis had, of aan conversie hysterie leed of gewoon een opstandige adolescent was. Laten we hun artikel ook maar gauw vergeten want hun diagnoses snijden zeker geen hout.

De meeste auteurs noemen temporaalkwabepilepsie als aannemelijke oorzaak voor haar auditieve hallucinaties. Maar niet iedereen is daarvan overtuigd. John Hughes verwerpt het idee van epilepsie in het oppervlakkige artikel ‘Did all those famous people really have epilepsy?in ‘Epilepsy & Behaviour’ (2005: 115-139) omdat, volgens hem, de hallucinaties bij epilepsie nooit zo lang duren. Hij heeft daarin gelijk in geval van algemene epileptische insulten, maar dat gaat niet altijd op voor specifieke vormen van  temporaalkwabepilepsie. Hij komt echter wel tot de bijzondere eindconclusie dat Jeanne ‘d-Arc ‘likely experienced religious messages’. John Hughes is waarschijnlijk (en dat is mijn aanname) een gelovige die het mirakel in stand wil houden. Een wetenschappelijk niet te rechtvaardigen statement.

Giuseppe d’Orsi en Paola Tinuper poneren in een intelligent en wijdlopig artikel ‘I heard voices…’ From semiology, a historical review, and a new hypothesis on the presumed epilepsy of Joan of Arc’ in  ‘Epilepsy & Behaviour’ (2006; 9: 152-157) dat Jeanne d’Arc wel eens aan Idiopathic Partial Epilepsy with Audiotory Features (IPEAF) zou  hebben kunnen lijden. Alle symptomen wijzen daarop. Tien jaar later herhalen zij dit nog een het artikel ‘The ‘voices’ of Joan of Arc and epilepsy with auditory features’ gepubliceerd in ‘Epilepsy & Behaviour’ (2016; 61: 281).

Complexe audititory hallucinaties bij IPEAF kunnen getriggerd worden door plotse harde geluiden, bijvoorbeeld het luiden van een kerkklok. Het is bekend dat bij Jeanne d’Arc de eerste keer dat zij god tot haar hoorde spreken zijn stem bij de kerk waarvan de klokken werden geluid.

Het is verder bekend dat deze vorm van epilepsie gelinkt is aan een genetische mutatie. Volgens overlevering  zouden er authentieke brieven van Jeanne d’Arc bestaan waarbij zij een vingerafdruk en een hoofdhaar in de zegellak drukte. Een dergelijke haar zou DNA kunnen opleveren. Hiermee zou de mutatie dan al dan niet kunnen worden aangetoond. Van allerlei heiligen worden, al dan niet autentieke, relieken bewaard in de vorm van stukjes bot in doosjes, kistjes, potjes en flesje. Van Jeanne d’Arc bestaan er een paar  flesje en potjes waarop de tekst ‘Restes trouvés sous le bûcher de Jeanne d’Arc, Pucelle d’Orléans’ bewaard in Chinon in Frankrijk.

Schermafbeelding 2018-08-09 om 00.04.05

Forensisch patholoog P. Charlier en collegae hebben de restanten uit de potjes en flesjes mogen halen en deze vervolgens onderzocht. Zij publiceerden hun bevindingen in Forensic Science International(2010; 194: e9-e15) in het artikel The relics of Joan of Arc: a forensic multidisciplinary analysis’. Het reliek bleek te bestaan uit vier stukjes bot, hoogst waarschijnlijk, gezien de aanwezige balsemstoffen, van een Egyptische mummie en een stukje bot van een huiskat en bleken dus niet van Jeanne d’Arc te zijn geweest.  Geen botten van Joanne d’Arc waar DNA uit gepeuterd had kunnen worden.

Louwai Muhammed herhaald in zijn artikel ‘A retrospective diagnosis of epilepsy in three historial figures: St Paul, Joan of Arc and Socrates’gepubliceerd in het Journal of Medical Biography(2013; 21(4): 208-211) de veronderstelde diagnose van IPEAF met genetsiche origine. Verder niets nieuws. Ook Nicolas Nicastro en Fabienne Picard beschrijven in hun artikel ‘Joan of Arc: Santity, witchcraft or epilepsy?’ in Epilepsy & Behaviour(2016; 57:247-250) dat IPEAF de meest waarschijnlijke diagnose is en zij geven hiervoor overtuigende argumenten. In december 2017 benadrukt Barbara Schildkrout in haar artikel ‘Joan of Arc – Hearing voices’in het American Journal of Psychiatrydat IPEAF wel eens de meest plausibele diagnose kan zijn. Goh!

In 1958 wordt in een anoniem editorial in het ‘Canadian Journal of Comparative Medicine’ (volume 22(11): 369-370) voor het eerst geopperd dat Jeanne d’Arc aan rundertuberculose zou hebben kunnen geleden met een cerebrale manifestatie van de ziekte als verklaring voor haar wanen en hallucinaties. Bovine tuberculosis was bij runderen in de vijftiende eeuw algemeen en ongepastureerde melk werd veelvuldig door mensen opgeslobberd waardoor rundertuberculose bij mensen geen zeldzaamheid was. De Londense arts R.H. Ratnasuriya kwam in 1986 met een opmerkelijke aanvulling op deze theorie in een verklaring voor de door Jeanne d’Arc gehoorde stemmen. Hij beschreef zijn theorie in het artikel ‘Joan of Arc, creative psychopath: is there another explanation?’ in het ‘Journal of the Royal Society of Medicine’ (1986; 79: 234-235). Omdat het hart en sommige ingewanden niet verbrand waren en door de beul in de Seine gegooid waren kwam deze arts tot de hypothese dat Jeanne d’Arc aan rundertuberculose had geleden. Door tuberculose kan een pericarditis ontstaan waardoor verkalking van het hartzakje ontstaat. Verder kunnen lymfklieren bij de darmen verkalken. Dit zou het niet hebben kunnen verbranden van hart en ‘ingewanden’  verklaren. De wanen en het stemmen horen zouden, volgens deze arts, hun oorsprong kunnen hebben in een tuberculoom in de temporaalkwab van het arme wicht. Verder noemt hij dat Jeanne d’Arc mager was en niet menstrueerde. Volgens hem tekenen van tuberculose. In het artikel ‘A historical case of disseminated chronic tuberculosis’ in het tijdschrift ‘Neuropsychobiology’ (1995; 32: 79-80) verwerpen J.M. Nores en Y. Yakovleff  het idee dat Jeanne d’Arc aan een cerebraal tuberculoom zou hebben geleden. Hun argumenten zijn echter niet zo sterk onderbouwd als die van Ratnasuriya (die zij in hun artikel niet bij naam maar schamper ‘a British author’ noemen).

Toch valt er zeker nog wel het een en ander af te dingen op het verhaal van Ratnasuriya:

  1. Dat Jeanne d’Arc mager was en niet menstrueerde zou net zo makkelijk hebben kunnen betekenen dat zij aan anorexia nervosa heeft geleden.
  2. En dan het niet verbrande hart. Is dat een bewijs voor tuberculose? Ik vind het niet overtuigend. Een ander voorval dook op in mijn herinnering. Ik zocht het er voor de gelegenheid eens bij. Edward John Trelawny[2]was bevriend met de dichter Percy Shelley[3]. Op 8 juli 1882 verdronk Shelley toen hij met zijn schip, de Don Juan, in een razende storm in de Golf van Spezia terechtkwam. Zijn lichaam spoelde weken later in staat van ontbinding op het strand aan. Trelawny organiseerde de verbranding van het lichaam van Shelley op het strand van Viareggio. Een opmerkelijk detail van deze crematie was dat het hart van Shelley niet was verbrand en dat Trelawny het uit de smeulende resten had weggenomen. Trelawny geeft details weer in zijn opmerkelijke boek ‘Recollections of the last days of Shelley and Byron’ (1858): ‘The only portions that were not consumed were some fragments of bone, the jaw, and the skull; but what surprised us all was that the heart remained entire’. Het hart zou later met Shelley’s zoon Percy zijn begraven op de begraafplaats van St Peter’s Church in Bournemouth. Dat een hart niet verbrand tijdens een lijkverbranding in de open lucht is dus vaker gedocumenteerd en hoeft niet te betekenen dat er sprake is van calcificatie van het pericard. De hitte van het vuur bij een openlucht verbranding is niet zo hoog als in een allesverterende ovencrematie. Dat organen niet geheel verbranden is dan logisch.
Schermafbeelding 2018-08-08 om 23.57.06
Verbranding van het lichaam van Percy Shelley

In zijn slordige boek ‘Post Mortem: Solving history’s great medical mysteries’ (2007) verwerpt Philip Mackowiak de diagnoses schizofrenie, temporaalkwabepilepsie en ergotisme (vergiftiging met de graanschimmel Claviceps purpurea) maar komt niet met een alternatief. Zijn argumentaties daarvoor zijn zwak onderbouwd en meer een persoonlijke en zelfingenomen mening . Zijn boek imponeert überhaupt niet door sterke argumenten.

Het valt allemaal niet te bewijzen en is puur hypothetisch waar het arme kind aan heeft geleden, maar dat er een lichamelijke/neuropsychiatrische oorzaak voor haar wanen was en niet een religieus mirakel is mij wel duidelijk.

Ik denk dat het meest aannnemelijke is dat Jeanne d’Arc IPEAF leed. Rundertuberculose of schizofrenie lijken mij moeilijk te rechtvaardigen diagnoses. Bewijs heb ik natuurlijk voor dit alles niet maar gezien haar levensloop was er meer sprake van een stabiele chronische neurologische dan een infectieuze systemische ziekte en voor schizofrenie is de symptomatologie te afwijkend.

Dat zij levend verbrand zou zijn is een voorbeeld van de wrede uitwerkingen van het christelijk geloof dat een god predikt die ‘goed en barmhartig’ is.

Verrassend is wat de anesthesist John B. Bowes in het ‘Journal of the Royal Society of Medicine’(1986; 79: 560) na lezing van het boek ‘Les missions secrètes de Jehanne la pucelle’ (1970) van Pierre de Sermoise, opperde: Jeanne d’Arc is nooit op de brandstapel terechtgekomen, maar in plaats van haar is er een anonieme heks verbrand. Hij geeft daarvoor, in navolging van De Sermoise, het argument dat Jeanne d’Arc de onwettige dochter van Louis I of Orléans[4]en Isabeau of Bavaria[5]was. Daarom had zij als simpele boerendochter toegang tot het hof van Charles VI, was zij tijdens haar verhoren niet gemarteld en was de te verbranden vrouw met afgedekt gezicht op de brandstapel gezet (in tegenstelling tot de gewoonte bij publieke executies en in tegenstelling tot wat op alle schilderijen die van de publieke verbranding zijn gemaakt in de eeuwen na de executie). Tijdens de eerste ontmoeting met Charles VI heeft Jeanne d’Arc hem iets in het oor gefluisterd. Niemand weet wat, maar daarna was hij bereid naar haar voorstellen te luisteren en daarnaar te handelen. Had Jeanne d’Arc hem gechanteerd? Wie zal het zeggen.

Jeanne d’Arc zou ook ouder zijn dan nu wordt aangenomen omdat Louis I of Orléans al in 1407 overleed. Ik vind het een mooie en wel geruststellende gedachte als zij niet geofferd zou zijn aan de waanzin van het christelijk geloof. Maar de mystificatie gaat er zo wel een beetje van af. En dat is wel weer jammer zeker voor een heilig verklaarde maagd. En zeker ook jammer voor de vrouw die in haar plaats in de paapse vlammen werd geofferd.

[1]Jeanne d’Arc [Jehanne d’Arc] (circa 1412 ? – 30 mei 1431) was een Franse heldin en heiligverklaarde.

[2]Edward John Trelawny (13 november 1792 – 13 augutus 18810 was een Engelse biograaf, schrijver en avonturier.

[3]Percy Bysshe Shelley (4 augutus 1792 – 8 juli 1822) was een Engelse dichter en de echtgenoot van Mary Shelley, de auteur van Frankenstein.

[4]Louis I of Orléans (13 maart 1372 – 23 november 1407) was Duke of Orléans, tweede zoon van koning Charles V van Frankrijk en de jongere broer van Charles VI.

[5]Isabeau of Bavaria (circa 1370 – 24 september 1435) was echtgenote van koning Charles VI.

Een misplaatste blog

 

Schermafbeelding 2018-03-20 om 14.11.40

Ik kreeg vandaag van verschillende mensen een blog uit het student-geneeskundeblad  Arts in spe, een uitgave van Medisch Contact, doorgestuurd met de vraag wat ik hier, als ethicus, van vond. De blog was geschreven door een vierdejaars geneeskunde student ‘Loes’ en had als titel ‘100 op een schaal van 1 tot 10’. Er stond een fotootje bij waarop een blond meisje met een roze stethoscoop  in haar oren te zien was.

In de blog beschrijft Loes haar belevenissen tijdens haar co-schap gynecologie. De score van ‘100 op de schaal van 1 tot 10’ gaat over de ‘ongemakkelijkheid’ die het specialisme bij haar oproept. Het gaat haar dan vooral over onaangename vaginale geuren en afscheiding. Zij beschrijft dat zij een speculum moest hanteren en dat zij ‘even niet door de neus moest inademen, want er hing nogal een luchtje’. Zij beschrijft vervolgens dat de gynecoloog aan de patient vroeg ‘of ze na het vrijen wel eens de deuren en ramen moest openzetten omdat het rook alsof de viskraam was langs geweest.’ Volgens Loes ‘begreep de vrouw de vraag niet.’

Zij beschrijft vervolgens dat zij een ‘sterke maag heeft vanwege de onaangename luchtjes’ en dat voor haar ‘gele vla eten nooit meer hetzelfde wordt vanwege het verwijderen van een vaginale cup’ en dat zij ‘nooit meer hüttenkäse koopt’ vanwege haar ervaringen met vrouwen met een vaginale candida-infecties. Loes maakte op de afdeling gynaecologie van alles mee, zelfs een patient ‘die bakjes vol deels verteerde maaltijdsalade uitbraakte’ (wel weer ontroerend dat zij hier van onder de indruk was overigens). Maar ook wordt zij onaangenaam getroffen door ‘de zweetlucht in de spreekkamer’ dat bovenop ‘het ongemak tussen de benen’ van haar patienten haar neus bereikte.

Waarom beschrijft deze nog onervaren geneeskunde student de patienten die zich tijdens haar co-schap in al hun kwetsbaarheid letterlijk aan haar hebben blootgesteld op deze populistische en respectloze wijze? Wat zouden de vrouwen, die zich in vertrouwen en waarschijnlijk vol schroom en schaamte in het ziekenhuis hebben gemeld, met een vaginale stank, een vastzittende vaginale cup of een candidainfectie, ervan gevonden hebben dat zij door zo’n jonge ‘dokter in spe’ met haar roze-meisjes-stethoscoop op deze manier beschreven werden in een ludiek bedoelde column in een overigens respectabel medisch weekblad? En wat heeft de redactie van dit weekblad in godsnaam gedacht toen zij besloten om deze blog te accepteren voor publikatie? Dachten zij dat het vertrouwen van vrouwen in de geneeskunde en in de gynecologie in het bijzonder hierdoor zou worden vergroot? Een volwassen redactie had hartgrondig ‘halt’ moeten roepen en had de blog nooit moeten accepteren. De redactie had de naïeve co-assistent moeten beschermen tegen het digitaal fileren op social media. Want dat is, begreep ik, vandaag gebeurd.

Wat deze vierdejaars student geneeskunde meemaakte tijdens haar co-schap en wat onhandig beschrijft is ‘natuurlijke walging’ *, een emotie waar elke arts, verloskundige of verpleegkundige en geneeskunde student zich professioneel over heen moeten kunnen zetten. De walging moet hij of zij echter niet aan de patiënt laten merken. Dat te kunnen hoort bij excellente zorgverlening. In de meeste gevallen schaamt de betreffende patient zich voor haar kwaal en walgt zij ook van haarzelf. Wellicht wel meer omdat zij het 24/7 bij zich heeft. Meestal schaamt zij zich er al enige tijd voordat zij zich, in arremoede, bij de arts meldde. Helpt het de patient dat de gynecoloog de stank uit haar vagina vergelijkt met een viskraam? Nee, uiteraard niet, maar ik kan mij overigens nauwelijks voorstellen dat een medisch specialist dit tegen zijn patient heeft gezegd zoals Loes beschrijft. Loes vindt dit ‘recht door zee’ uitspraken en, zo schrijft zij, juist zo mooi aan het vak van gynecologie. Als dit betekent dat men op de betreffende afdeling gynecologie een vrijbrief heeft om patienten met ‘viskramen’ te vergelijken maak ik mij grote zorgen. Als Loes dus alleen maar heeft geïmiteerd en zo praat over patiënten om populair te zijn binnen deze groep of op deze afdeling maakt dit alles nog ernstiger en zorgelijker. Je zal de vrouw maar zijn die met een ‘viskraam’ wordt vergeleken.

Wat nu? Fileren op social media is zinloos en kwetsend. Loes zal ondertussen wel begrepen hebben dat zij te ver is gegaan. Ervaren hulpverleners moeten deze dokter in spe iets leren. In ieder geval moeten wij haar duidelijk maken dat patienten zich melden in een ziekenhuis om geholpen te worden voor hun kwalen, vaak in diepe schaamte en met schroom, en zeker niet om te worden geridiculiseerd in een column in een weekblad voor vakbroeders en vakzusters door een toevallige co-assistent. Want dat laatste is meer dan misplaatst en immoreel. Dat moeten wij haar duidelijk maken. Zodat zij een dokter zal kunnen worden die zich later zal schamen voor hetgeen zij, waarschijnlijk in naïviteit, in deze column heeft opgeschreven. Ik hoop dat zij zich rot geschrokken is van de ophef over haar stukje en voortaan bescheiden en respectvolle blogs zal schrijven.

Een goede dokter kenmerkt zich door:

1. excellentie in zorg;

2. humaniteit naar patiënten en collegae en

3. de eigenschap om kritisch naar zichzelf te kijken.

Dat moet de intrinsieke motivatie zijn om dokter of verpleegkundige te worden en te zijn. En daarnaast moet hij of zij bescheiden zijn. Dat moeten wij, als ervaren hulpverleners, Loes nog aanleren. Eigenlijk moet dat op de universiteit al. Als dat lukt wordt zij wellicht nog een goede dokter. Dan zal ze zien dat ze nu op het tweede punt zeer ernstig en beschamend heeft gefaald. Laten wij als ervaren hulpverleners niet falen door na te laten om dat haar te vertellen. Alleen fileren op social media is gemakkelijk en kwetsend. Ervaren dokters en verpleegkundigen moeten jonge mensen opleiden en vertellen hoe het wel en niet moet.

In de avond, toen ik de blog nog even wilde nalezen, bleek deze van de website van Medisch Contact te zijn verwijderd. Waarschijnlijk onder de zware druk op de sociale media. Op een schaal van 1 tot 10 was de blog 100% misplaatst.

 

* Zie het lezenswaardige hoofdstuk over walging in M.Lewis & J.M. Haviland-Jones, Handbook of emotions. The Guilford Press, 2000, pagina 637-653

Tot de laatste reutel

Schermafbeelding 2017-08-09 om 12.39.10

Iedereen gaat dood. Dat is voor niemand een verrassing. Heel veel mensen gaan dood wanneer er geen familie of vrienden bij aanwezig zijn. Soms zijn er wel totaal vreemden bij aanwezig. Mensen vallen bijvoorbeeld dood neer in supermarkten, op straat, tijdens vergaderingen, storten neer van steigers of worden verpletterd onder een voortrazende vrachtwagen. Daar zijn soms collega’s, vakkenvullers, voorbijgangers of EHBO-ers bij aanwezig. Anderen sterven in ziekenhuizen, verpleeghuizen, hospices of bejaardenoorden. Daar zijn soms, maar ook vaak niet, artsen, verplegenden, verzorgenden of andere toevallig aanwezigen bij aanwezig.

Van de meesten horen we dus pas dat zij overleden zijn als het verscheiden al heeft plaatsgevonden. De buurvrouw belde mij op dat mijn moeder was overleden. Ik vond mijn vader dood in zijn bed, uren daarvoor in zijn slaap door de dood verrast. Een neef belde mij dat mijn broer dood was. Vier zeer dierbare vrienden zijn overleden terwijl ik daar niet bij aanwezig was. Ik kan maar één uitzondering melden. Ik was er bij aanwezig toen de laatste rochelende ademhaling het lichaam van mijn schoonvader verliet. Ik hield zijn hand vast en keek naar zijn gezicht. Het bewustzijn had hij al uren daarvoor verloren.

Wel heb ik honderden patiënten dood zien gaan. Dat wel. Meestal waren daar dan ook geen familieleden bij aanwezig, maar collega hulpverleners en ik wel.

Dat komt omdat de dood vaak onverwacht komt, ook al is iemand ernstig ziek. Het werkelijke moment van de dood kunnen we eigenlijk nooit voorspellen. Er zijn in het normale leven twee uitzonderingen. Als iemand aangegeven heeft dood te willen en de arts euthanasie uitvoert of wil helpen bij zelfdoding. En in heel veel gevallen op de intensive care. Op de intensive care overlijdt circa 10-20% van de daar opgenomen patiënten en de meesten sterven op korte termijn als wij de beademing stoppen. Circa 85% sterft dan binnen een half uur, velen zelfs binnen minuten. Wij kunnen de dood dus dirigeren, plannen. Dat is handig als familieleden aanwezig willen zijn bij het doodgaan. Net als bij euthanasie. Iedereen zit klaar, de arts stopt de beademing. Een ieder kijkt naar de patiënt, naar de monitor en wacht op de vlakke lijn op het beeldscherm. De naasten houden de hand vast van de stervenden, leggen hun hand op het hoofd van de stervende, geven afscheidszoenen. Ze zijn erbij als het hart stopt met pompen.

Is dat een meerwaarde? Ik heb daar lang en diep over nagedacht. Had het iets uitgemaakt voor mijn verdriet of herinnering als ik erbij was geweest toen mijn moeder in de badkamer een fatale circulatiestilstand kreeg? Of toen mijn broer insliep onder de weldadige palliatieve roes van de Dormicum? Ik vind van niet. De herinnering die ik aan hen heb, in afwezigheid van de laatste reutel, is herinnering aan het leven van de dierbare. Herinnering aan het stervensmoment voegt voor mij niets toe. Afscheid neem ik uiteindelijk tijdens de uitvaart. Samen met andere dierbaren. Verdriet had ik in de dagen en weken daarna. Aanwezig zijn is vrijwel nooit een meerwaarde voor de meestal bewusteloze stervende.

Artsen en verpleegkundigen op de intensive care vragen echter vrijwel altijd aan de familieleden of er nog familieleden aanwezig moeten komen voordat de beademing gestopt wordt. Soms moeten deze familieleden nog uit verre oorden of zelfs van andere continenten overkomen. De disproportionele behandeling wordt dan nog dagen doorgezet. Soms blijkt dan dat de neef uit New York helemaal niet onderweg is, maar dat de familie marchandeert. Dat ze proberen de onvermijdelijke dood uit te stellen. Ook uniek voor de intensive care.

Een vraag die mij bezighoudt is of we er goed aandoen om de dood zo te dirigeren dat iedereen die wil erbij kan zijn. De laatste krampachtige reutels uit de keel van de dierbare horen komen is veelal geen fijne aanblik. Dat blijft bij velen op het netvlies gebrand. We moeten soms middelen toedienen om het allemaal wat minder ontluisterend te laten verlopen. Het doorbehandelen doet misschien wel extra lijden toevoegen voor de patiënt. Niemand weet dat met zekerheid. De enige reden die ik kan bedenken om als naaste aanwezig te zijn bij het sterven is dat de stervende niet alleen is. Maar het is een schrale troost als je bedenkt dat het grootste deel van de mensen doodgaat zonder dat naasten of alle naasten daarbij aanwezig zijn. Op straat, op de snelweg, bij de supermarkt of in nacht op een verpleegafdeling. En realiseer je dan ook dat dit eigenlijk nooit aanleiding geeft tot pathologische rouw of nare schuldgevoelens. Het verdriet om de dood van een dierbare wordt niet daardoor versterkt. Dat we de dood op de intensive care kunnen dirigeren in de zin dat iedereen erbij moet kunnen zijn lijkt dus eigenlijk geen echte meerwaarde.

Deze column is ook verschenen in Venticare Magazine van Augustus 2017

Dehumaniseren en antropomorfisme: two of one kind

Schermafbeelding 2017-06-27 om 08.22.25Vogelopvangcentra hebben drukke tijden achter de rug. Vele duizenden verweesde eendjes, zwaantjes, meesjes, mereltjes en musjes zijn de laatste maanden door bezorgde burgers opgeraapt en naar een van de vele vogelasielen gebracht, waar welwillende vrijwilligers deze stakkers opvangen en vervolgens met grote passie proberen op te laten groeien. Met pincetten worden meelwormpjes in de hongerige keeltjes gestopt en slobberen de eenden- en ganzenkuikens ondefinieerbare brij uit voederbakken. De overlevers, vliegvlug maar volkomen wereldvreemd worden dan op veilige plaatsen teruggeplaatst in de wrede natuur. Succes! Vervolgens zullen velen het alsnog niet halen, want de prooi beluste sperwers en andere roofdieren hadden zij nog nooit gezien. Ook auto’s en glimmende ruiten waren nog niet in hun geheugen opgenomen. Deze gevaren zijn hun onbekend en de trial en error mentaliteit van moeder natuur is bikkelhard. Maar, ala, het opvangen en koesteren van deze kuikentjes en piepende jongelingen ontroert ons en geeft ons een goed gevoel. Reden te meer om er wellicht mee door te gaan.

Bijzonder is echter wel dat bij onze omgang met dieren we er lustig op los discrimineren. Het ene dier is veel minder leuk, aantrekkelijk, aaibaar, opvangwaardig dan het andere. Dat we lastige vliegen doodslaan, mosselen levend koken en zoemende muggen door de zool van onze pantoffel verpletteren kan ik begrijpen en daar doen maar weinigen moeilijk over. Anders wordt het met één op één vergelijkbare hogere dieren, zoals vogels en zoogdieren. Ik las vorige week op Twitter een veelvuldig leuk gevonden bericht hoe politieagenten een ter sloot geraakt kalf daar uitgetild hadden tot grote waardering van de omstanders. Wat een helden. Dat op dezelfde dag ruim 4000 kalveren in Nederland de strot werden afgesneden voor onze consumptie, daar dacht niemand aan. Of wil niemand aan denken. Elke dag weer 4000, zo’n 120.000 per maand, anderhalf miljoen per jaar. Maar dat ene kalfje was gered. De bofferd! En dat gaf ons een goed gevoel. De Twitteraars vonden het een fijn bericht. En dat is het ook, maar wel ongehoord hypocriet.

Zo hoorde ik ook van een vrijwilliger van een vogelopvangcentrum dat zij daar veel last van bruine ratten en muizen hadden. Deze opportunisten kwamen op het voer dat de armlastige vogels opgediend kregen af. Maar dat was de bedoeling niet. De ratten werden in inloopkooien met een rijke dis gelokt en vervolgens levend, met kooi en al, ondergedompeld en verzopen. De muizen werden in klapvallen vermoord. Pure discriminatie! Want waarom is het leven van een verweesd eendenkuikentje nu meer waard dan een rattenleven? Omdat wij er last van hebben? Wellicht is dat de enige reden.

Schermafbeelding 2017-06-27 om 08.31.11

In het dagblad Trouw was de laatste weken een discussie te lezen over antropomorfisme. Het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan dieren. Mensen praten tegen dieren alsof het hun kinderen zijn en of zij de mensentaal verstaan. Zij schrijven hen emoties toe, verdriet, lijden en andere menselijke gevoelens. De menselijke belevingswereld zou ook door dieren zo ervaren worden. Hetgeen niet waar is overigens. Mogen we daarom met dieren doen wat ons goed dunkt. Slechts ten dele. De bioloog Jelle Reumer schreef in Trouw dat het bij onze omgang met dieren vooral gaat om normaal fatsoen en respect. Waarvan acte wat mij aangaat. Waarom dan kansloze eendenkuikentjes vertroetelen en ratten verzuipen? Dat is omdat discriminatie diep in onze genen zit. We mogen de sluiperige stinkende ratten gewoonweg niet, maar de piepende stakkers van eendjes wel. Daarom mogen de ene wel dood en de andere niet. Met de kalveren ligt het wat moeilijker. Maar dan kijken we de andere kant op.

Schermafbeelding 2017-06-27 om 08.33.09

Dehumanisatie is het ontkennen van menselijke eigenschappen en behoeften bij medemensen. Dehumaniseren is een menselijke eigenschap waar normale mensen gemakkelijk toe in staat blijken, met name onder groepsdruk. Dat weten we sinds de Stanford-experimenten uit 1971 en zagen we bevestigd in de Abu Ghraib gevangenis in Iraq. We kennen allemaal de schokkende beelden wel. In oorlogen dehumaniseren we er ook lustig op los. Anders zouden we de vijand niet kunnen doden, geen steden kunnen bombarderen en vrouwen verkrachten en kinderen doden. Ook in gevangenissen worden de gevangenen gedehumaniseerd. Ze krijgen een nummer, een oranje overal aan, hun privacy wordt afgepakt en ze worden onderworpen aan de willekeur van de bewakers. Die ’s-avonds wel naar huis mogen. Ook in de gezondheidszorg wordt gedehumaniseerd. ‘De galblaas van bed vier’ is daar een simpel voorbeeld van.

Antropomorfisme en dehumanisatie lijken eenzelfde basis te hebben. Immers, toen Amerikaanse soldaten in Iraq dorpen bombardeerden waar vermoedelijk radicale moslims zich schuilhielden gingen zij ‘kakkerlakkennesten uitroeien’. In Vietnam gingen de Amerikanen ‘rioolratten vangen’ als zij het over de Vietcong hadden. Morbide obese mensen worden door sommigen denigrerend ‘varkens’ genoemd. Maar onze geliefde noemen we ‘konijntje’ of ‘duifje’. Voor een aangereden kat wordt de dierenambulance gebeld en een aangereden rat kan een trap na krijgen. Ach het is allemaal zo simpel. De kat is ‘een van ons’ en de rat is vijand. Daar kan je toch niet tegen zijn? Of toch wel?