Onderwijs met preparaten uit een meer dan 100 jaar oude collectie

Prof dr K. de Snoo
Prof dr K. de Snoo

In december 2006 droeg de Erasmus Universiteit circa 65 op vloeistof geconserveerde menselijke foetussen met aangeboren afwijkingen over aan het Natuurhistorisch museum Rotterdam. Het is een unieke collectie verzameld in een tijd (midden 1800-begin 1900)  waarin het gewoon was om een dergelijke collectie samen te stellen, voornamelijk voor onderwijsdoeleinden. Dat was op de Rotterdamse Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen aan de Henegouwerlaan. Het grootste deel van de collectie is bijeen gehouden en ten dele verzameld onder leiding van Prof dr Klaas de Snoo. Prof de Snoo  werd op 16 januari 1877 te Geervliet geboren. Hij overleed op 1 april 1949 te Utrecht. In 1905 werd hij leraar aan de Vroedvrouwenschool aan de Henegouwenlaan te Rotterdam. In 1907 werd hij benoemd tot directeur-geneesheer van de Vroedvrouwenschool te Rotterdam. Hij was gewoon hoogleraar Verloskunde en de leer der vrouwenziekten vanaf 9 september 1926. Op 15 september 1947 ging hij met emeritaat.

Over de precieze oorsprong van de collectie is helaas veel onbekend. Een deel van de collectie is zeker afkomstig van ‘De Clinische School’ in Rotterdam die in 1866 werd opgeheven en waarvan de verloskundige collectie van de ‘Kraamzaal’ na allerlei omzwervingen in Rotterdam in 1914 in de nieuw gebouwde Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen aan de Henegouwerlaan kwam. De collectie werd bijna 60 jaar later door de medisch student Mart van Lieburg (nu hoogleraar medische geschiedenis) in een vervallen staat aangetroffen in een verwarmingskelder van de Rijkskweekschool aan de Henegouwerlaan. Van Lieburg wist de collectie toen van de ondergang te redden door deze achter in zijn eigen auto naar de Erasmus Universiteit over te brengen. De Rijkskweekschool was blij ‘van de troep’ af te zijn. Onderstaande foto is van die tijd, en laat de staat zien zoals de belangrijkste objecten uit de pottencollectie waren na aankomst op de Erasmus Universiteit in 1973. Veel preparaten waren in de warme verwarmingskelder en zonder dat er naar omgezien was, verloren gegaan. De pottencollectie is toen tussen 1975 en 2004 op verschillende verdiepingen van de Universiteit gestald geweest totdat deze uiteindelijk in 2004 in de kelders terecht kwam. De geschiedenis herhaalde zich weer. Opnieuw was er de dreiging dat de collectie als overbodig en niet-ter-zake-doende ‘geruimd’ zou worden. Voor de tweede maal in de geschiedenis was de collectie in een stoffige kelder terecht gekomen. Opnieuw werd de collectie gered en deze keer overgebracht naar het Natuurhistorisch Museum Rotterdam.

De collectie zoals deze in 1914 in de Vroedvrouwenschool kwam (uit Vn Lieburg, 1974)
De toestand van de collectie zoals deze in 1973 door Mart van Lieburg gevonden is in de kelders van de Rijkskweekschool. Veel van de preparaten op deze foto zijn nu in het Natuurhistorisch museum Rotterdam (uit Van Lieburg, Rotterdams Jaarboekje 1974)

De belangrijkste redenen om de collectie te behouden is het veilig stellen van medisch wetenschappelijk erfgoed; het conserveren en bewaren van enkele zeer zeldzame aangeboren menselijke afwijkingen en de ‘onvervangbaarheid’ van dergelijke preparaten. Daarnaast is bij de overdracht van de collectie een afspraak gemaakt tussen de Erasmus Universiteit en het Natuurhistorisch Museum Rotterdam dat de collectie ten allen tijde toegankelijk is voor onderwijsdoeleinden. Geneeskunde studenten die deelnemen aan de MSc Molecular Medicine en buitenlandse studenten die de EvoDevo cursus aan de Erasmus Universiteit volgen bezoeken elk jaar onder begeleiding de collectie. Ook Verloskundigen in opleiding hebben gebruik gemaakt van deze collectie. (klik hier voor een artikel van Kees Moeliker en mij over de collectie Straatgras teratologische collectie). Helaas bleek de achtergrond van de individuele foetussen niet meer te achterhalen. De collectie ‘aangeboren afwijkingen’ in het Natuurhistorisch museum bestaat buiten de ‘Rijkskweekschool-Collectie’ uit een aanzienlijke collectie aangeboren afwijkingen bij gedomesticeerde en wilde zoogdieren en vogels. Verder herbergt het museum een zeer omvangrijke collectie planten-teratologie (afwijkingen bij planten). Een aantal van de menselijke foetussen met aangeboren afwijkingen zijn in het Erasmus MC op de afdeling radiologie onderzocht, waaronder een meisje met thanatophore dysplasia Type II met occipitale encephalocele. Van deze afwijking zijn slechts twee andere voorbeelden bekend in de wereld, een uit de collectie Vrolik in Amsterdam en een uit China. Een meisje met ernstige iniencephaly is onderzocht in de Ispace aan de Erasmus Universiteit (Prof Peter van der Spek, dr Anton de Koning).

Een foetus met Thanatophoric dysplasia type II  wordt onderzocht met een CT scan (foto Kees Moeliker)
Een foetus uit de Rijkskweekschool-collectie met Thanatophoric dysplasia type II wordt onderzocht met een CT scan (foto Kees Moeliker)

Sinds 2007 verzorg ik het ‘training in the collection’ onderwijs in het Natuurhistorisch museum en steeds weer is het een groot genoegen enthousiaste en leergierige studenten de collectie te tonen en uitleg te geven over de verschillende objecten. Klaas de Snoo zou zeer tevreden zijn geweest dat de collectie meer dan honderd jaar na het verzamelen nog steeds voor onderwijs zou worden gebruikt.

Onderwijs aan de collectie. Januari 2012. (Foto : prof dr Anton Grootegeod, EUR)
Onderwijs aan de collectie in het Natuurhistorisch museum Rotterdam. Uitleg over een asymmetrische Siamese tweeling bij een egel. Januari 2013. (Foto : prof dr Anton Grootegeod, EUR)
Onderwijs aan de collectie 'De Snoo' Januari 2013. (foto: prof dr Anton Grootegoed, EUR)
Onderwijs aan de Rijkskweekschool collectie. Januari 2013. (foto: prof dr Anton Grootegoed, EUR)

Er gaan steeds vaker stemmen op dat collectiemateriaal van menselijke oorsprong uit musea moet worden verwijderd en respectvol te worden (her)begraven of gecremeerd. Een voorbeeld van recente datum is het herbegraven van de Urker schedels die in het universiteitsmuseum van Utrecht werden bewaard. Ook ten tijde van de overdracht van de’De Snoo-collectie’ zijn dergelijke geluiden gehoord. De foetussen die, meestal zonder toestemming van de ouders, werden verzameld zouden moeten worden begraven of gecremeerd en niet in een museum worden bewaard. Vanuit huidige ethische normen en emotionele overwegingen bekeken zijn dergelijke meningen begrijpelijk en wellicht nog wel te verdedigen, maar vanuit historisch en medisch-wetenschappelijk oogpunt bezien een moeilijk te rechtvaardigen standpunt. Het zou de vernietiging van uniek materiaal betekenen. Waarschijnlijk zijn veel preparaten al rond 1850 verzameld en is de herkomst niet meer te achterhalen. Het is ook materiaal dat verzameld is in een tijd met een geheel andere ethiek en cultuur. Men moet er, naar mijn mening, voorzichtig mee zijn dit te beoordelen vanuit een huidig ethisch standpunt met als gevolg dat het materiaal onttrokken wordt aan moderne collecties.

Discussie met studenten over een cephalopagus (Siamese tweeling). Januari 2012. (foto: prof dr Anton Grootegoed)
Discussie met studenten over een cephalopagus (Siamese tweeling). Januari 2013. (foto: prof dr Anton Grootegoed, EUR)

Vooralsnog vormt de unieke collectie van De Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Rotterdam meer dan honderd jaar een waardevol historisch en wetenschappelijk erfgoed waar serieuze studenten en docenten met respect gebruik van maken ter vergroting van kennis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s